De dag begon zoals je hoopt dat hij eindigt: traag, loom en met logistieke twijfel. Bij het opladen van de kajaks bleek er plots één niet langer bereid zich fatsoenlijk op zijn zij te laten leggen. Na enig gesjor, getrek en het sluiten van een voorlopig vredesakkoord met de zwaartekracht, volgde een onvermijdelijk en kennelijk essentieel kopje koffie. Pas toen was Molkwerum überhaupt een optie.

De lokale camping deed sterk denken aan een trailerpark uit een Amerikaanse film, zij het zonder ironie. Helemaal achterin lag een veldje waar onze tenten zich mochten schikken tussen het permanente wonen. Een gespierde Fries met tatoeages op zijn kuiten kwam informeren of wij wisten hoe hard we reden. Ik grapte dat het hooguit 50 was. Hij bleek de campingbaas. Stapvoets, zo leerde hij ons. Onze chauffeur maakte een schuldbewuste handbeweging, mompelde wat vriendelijkers en de-escalatie trad in.
Douchen ging met pasjes en €5 borg. Gelukkig douche ik maar eens per week, dus tenzij ik zou kapzijzen liet ik de douche een dagje voor wat het was, te veel gedoe. Ondertussen arriveerden onze Friese vrienden van de kanoniers, voorzien van suikerbrood en iets wat eruitzag als taai-taai maar wat knijter hard bleek te zijn, het leek mij uit een archeologische opgraving.

Na enig geluier en opvallend frequente toiletbezoeken – het toilet lag exact tien minuten lopen, wat elke aandrang immediatel existentieel maakte – begaf een enkeling zich richting water. De tewaterlating van elf kajaks vanaf een steigertje ter grootte van een snijplank verliep traag. We zijn bij KOIJ verwend met ons vliegdekschip. Alsof dat nog niet genoeg was, arriveerden er nog een paar laatkomers die hun complete samoerai-uitrusting aan kanogear ter plekke moesten finetunen.
De tocht richting Hindeloopen verliep door een dijksloot zonder zijwegen, dus verdwalen was theoretisch onmogelijk. Na één anekdote bij een badpaviljoen – tevens de enige bezienswaardigheid – bereikten we het dorp. Hindeloopen bleek een Anton Pieck-waardige kruising tussen Volendam en de Zaanse Schans. Winkeltjes boden lokaal textiel van discutabele esthetiek en prullaria met een verhaal maar zonder toekomst.

Mijn missie was de viskraam aan de haven. Ik worstelde mij door de toeristenmassa. Er bleken er twee; Google reviews gaven uitsluitsel. Na het afgaan van tien andere piepers kreeg ik mijn lekkerbek. Die was foutloos. Hemels. Een zeldzame 10/10. Inmiddels zat de hele club aan de picknicktafels.

De sluis werd met de hand bediend door een Aziatisch kindje, bijgestaan door een sluiswachter die tevens havenmeester was en eerst nog wat florijnen inde. Zijn forse rottweiler hield toezicht. Op verzoek maakte hij een groepsfoto en gooide de camera vanaf de hoge kade weer terug naar de tochtleider, wat spanning toevoegde.

Op het IJsselmeer klonk een fluit en een brul. Ik bevond mij tussen twee Friezen die zeker wisten dat we 180 graden moesten draaien, wat wonderbaarlijk strookte met mijn GPS-horloge. Toch hadden we kennelijk een onzichtbare natuurstrook geschonden. Na een preek van de voorvaarder, die achtervaarder was geworden en een uitgesproken hekel had aan treuzelaars, hielden we nog even koers op het golvende water.

Het strandje kwam in zicht. Na het uitklauwteren trokken we de boten over dijk, pad, een steile houten brug met uitglijlatjes en uiteindelijk over het gras naar het tentenkamp. Onder het mom van helpen kwam een jeu-de-boules-spelende Duitser een praatje maken. We pelden het neopreen af en schakelden terug naar ruststand.

s Avonds op naar het restaurant. Eerst een drankje op het terras. Op het menu lazen we over de herkomst van de naam van het restaurant, die mij eerst Italiaans aandeed maar in werkelijkheid verwees naar de historische handel in gezouten zwanenvlees, verkocht aan onder meer de Amsterdamers. Er stond geen zwaan op het menu. Engelse zwanen zijn eigendom van het koningshuis, maar in Nederland viel daar niets over te vinden. Wel een recept. De IJburgse zwanen lijken dus richting de volgende club‑BBQ juridisch vogelvrij.

Daarna naar binnen voor het hoofdgerecht. Er was een en vergadering van een half uurtje gemeld, waarvan ze hoopten geen dat we geen overlast zouden ondervinden. Dat bleek een misvatting, ze gingen ons zo langzamerhand goed leren kennen. De oudjes stroomden binnen en kregen slagroomtaart. Ik had warme herinneringen aan het bejaardenhuis van mijn opa en oma.
Een tafel met goedkope huishoudelijke elektra – citruspersen, broodroosters – bracht sommigen al in een lacherige stemming. Het bleek onderdeel van de bingo‑prijzeninkoop, die kennelijk niet langer uit kon. Zelfs goedkope elektronica was duur geworden. Het beruchte bingoplankje, waarvan er vorige keer maar liefst 84 verkocht waren, was na uren vergaderen, hier en daar een traantje en zichtbaar existentieel leed verhoogd van €8 naar €10. De vergadering bleek niet alleen over bingo te gaan maar ook over de verloting, musicale omlijsting van Pinksteren, de bonte avond en de gehele versoberde animatieplanning van het grijze vakantie oord. De bewonersmutaties volgde, alles voorgelezen van een poepsaaie PowerPoint door wie vermoedelijk de dochter van de campingbaas was. Eén mutatie betrof een overlijden. Een minuut stilte volgde.
Die minuut duurde heel lang.
Drie van ons kregen een onbedaarlijke lachbui. Onderdrukking faalde. De minuut was te groot. We vluchtten naar buiten. De rest, minder schijtmelig, volgde later voor de zonsondergang op de dijk.
Toen naar bed. Morgen wacht ongetwijfeld weer een dag vol stapvoets vooruitgang en onverwachte levenslessen.


